maniko-2.jpg

De sterren zingen

De sterren zingen,
nacht na nacht,
hun lied van harte-tonen.

Als ik mijn blik naar boven richt,
verzacht door 't stille hemellicht:
zou God daar dan niet wonen?

De sterren zingen stil hun lied,
in harmonie geboren.
Een ziel-zacht trillen raakt mij aan
en roert de kern van mijn bestaan:
ik weet mij niet-verloren.

De sterren zingen nu.

Mijn ziel springt op,
wil antwoord geven.

Ontroerd ontvang ik deze groet
en, diep vervuld van liefdesmoed,
kom God-geraakt tot leven.

De sterren zingen...

 Zie, ik ben een kind der sterren,
een gedachte van Gods geest.
Roze is mijn kleed: de liefde;
altijd ben ik daar geweest.

Zie naar mij: je diepe wezen
kent de sterren die je zoekt.
Geestes-bloemen draag ik vele:
God vervult mijn hoofd en doek.

In mij is een stil verlangen -
vluchtig ben ik, als de wind:
'k zou bij mensen willen wonen
als een geestes-mensenkind.

Geef jij bodem aan mijn dromen?
Laat mij nu geen gast meer zijn.
Neem mij op in heel je leven;
maak mij kind, om mens te zijn.

Draag mij, baar mij, voed mijn wezen,
geef je pijn voor mijn bestaan.
Laat mijn liefde uit je stromen
daar, waar mensen zonder gaan.
Geef je handen voor mijn daden,
vul je ogen met mijn licht.
Laat je lijf mijn liefde voelen.

Open mij;
geef mij gezicht.

Voel mijn zachte drang van binnen.
Zacht zing ik mijn liefdeslied,
want ik ben een kind der sterren:
zonder mensen kan ik niet.